DE ROEPING VAN KERK EN GEMEENTE
De kerk
Artikel I
1. De Protestantse Kerk in Nederland is
overeenkomstig haar belijden
gestalte van
de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk
die zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar
de komst van het Koninkrijk van God.
2. Levend uit Gods genade in Jezus Christus vervult de kerk de opdracht van
haar Heer om het Woord te horen en te verkondigen.
3. Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid
aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging
en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.
4. Het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van
het voorgeslacht, zoals die is verwoord
in de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de
geloofsbelijdenis van Athanasius - waardoor de kerk zich verbonden weet met
de algemene christelijke Kerk -,
in de Onveranderde Augsburgse confessie en de catechismus van Luther - waardoor
de kerk zich verbonden weet met de lutherse traditie -,
in de catechismus van Heidelberg, de catechismus van Genève en de Nederlandse
geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels - waardoor de kerk zich verbonden
weet met de gereformeerde traditie.
5. De kerk erkent de betekenis van de theologische verklaring van Barmen voor
het belijden in het heden.
De kerk erkent met de Konkordie van Leuenberg dat de lutherse en gereformeerde
tradities door een gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie bijeenkomen.
6. De kerk belijdt telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus
Christus als Heer en Verlosser van de wereld en roept daarmee op tot vernieuwing
van het leven in cultuur, maatschappij en staat.
De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden
en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken.
7. De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid
met het volk Israël.
Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap zoekt zij het gesprek met Israël
inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende de
komst van het Koninkrijk van God.
8. Gezonden in de wereld en geroepen tot de bediening van de verzoening, getuigt
de kerk in verkondiging en dienst aan alle mensen en aan alle volken van het
heil in Jezus Christus.
9. De kerk is bij haar getuigenis in woord en daad gehouden om zich te bewegen
in de weg van haar belijden.
10. De kerk en al haar leden zijn geroepen het belijden te toetsen bij het
licht van de Heilige Schrift.
11. De kerk weert wat haar belijden weerspreekt.
Artikel II
1. De Protestantse Kerk in Nederland is de voortzetting van
de Nederlandse Hervormde Kerk,
de Gereformeerde Kerken in Nederland en
de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.
2. De Protestantse Kerk in Nederland bestaat uit al de gemeenten, te weten
de protestantse gemeenten, de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken
en de evangelisch-lutherse gemeenten.
De gemeenten
Artikel III
1. Vanwege Gods genade
en krachtens zijn verbond
worden gemeenten vergaderd
rondom Woord en sacramenten.
2. Tot een gemeente
- en daarmee tot de Protestantse Kerk in Nederland -
behoren zij van wie de inlijving in de gemeenschap van de Kerk
is bekrachtigd door de heilige doop
en die als zodanig zijn ingeschreven als lid van de gemeente.
3. Zij die de doop ontvangen,
worden geroepen tot belijden van Jezus Christus en tot verantwoordelijkheid
in de gemeente.
4. Gedachtig aan de trouw van de God van het verbond
rekent de gemeente voorts tot haar gemeenschap
de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden
alsmede degenen die blijk geven van verbondenheid met de gemeente.
5. De kerk kent doopleden en belijdende leden.
Doopleden, belijdende leden, gastleden, de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden
alsmede zij die blijk geven van verbondenheid met de gemeente, worden als
zodanig ingeschreven in het register van de gemeente.
De evangelisch-lutherse leden worden bovendien ingeschreven in een register
dat bijgehouden wordt door de evangelisch-lutherse synode.
Artikel IV
1. De gemeente, daartoe begenadigd door de Geest, is geroepen tot de dienst
aan het Woord van God
in de prediking van het Evangelie en de viering van doop en avondmaal in de
openbare eredienst,
in de dienst van de gebeden,
in de missionaire arbeid,
in het diaconaat,
in de herderlijke zorg,
in de geestelijke vorming
en ook in alle andere arbeid
tot opbouw van het lichaam van Christus.
2. Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun gaven aan te
wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft.
3. De gemeente geeft gehoor aan haar roeping door onder leiding van de kerkenraad
de samenhang in haar leven en werken te bevorderen en alles te richten op
de lofprijzing van de Naam des Heren en de dienst in de wereld.
Het ambt en de ambtelijke vergaderingen
Artikel V
1. Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld
te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven.
Met het oog op deze dienst onderscheidt de kerk
het ambt van predikant,
het ambt van ouderling,
het ambt van diaken
alsmede andere diensten in kerk en gemeente.
2. De ambtsdragers zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor de opbouw
van de gemeente in de wereld door zorg te dragen voor
de dienst van Woord en sacramenten,
de missionaire, diaconale en pastorale arbeid,
de geestelijke vorming,
het opzicht,
het rentmeesterschap over de vermogensrechtelijke aangelegenheden
en andere arbeid tot opbouw van de gemeente.
3. De predikanten zijn in het bijzonder geroepen tot
de bediening van Woord en sacramenten,
de verkondiging van het Woord in de wereld,
de herderlijke zorg en het opzicht
en het onderricht en de toerusting.
De ouderlingen zijn in het bijzonder geroepen tot
de zorg voor de gemeente als gemeenschap,
het dragen van medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten,
de herderlijke zorg en het opzicht
en de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire
roeping
en zij die daartoe zijn aangewezen
bovendien tot de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van
de gemeente van niet-diaconale aard.
De diakenen zijn in het bijzonder geroepen tot
de dienst aan de Tafel van de Heer en het inzamelen en uitdelen van de liefdegaven,
de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in gemeente en wereld,
de toerusting van de gemeente tot het vervullen van haar diaconale roeping
en de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente
van diaconale aard.
4. De roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege, plaatselijk door de
gemeente en overigens door de kerk bij monde van de daartoe bevoegde vergaderingen.
5. Een ambt in de kerk kan uitsluitend worden vervuld door hen die daartoe
naar de orde van de kerk geroepen zijn, belijdenis van het geloof hebben afgelegd
en in het ambt bevestigd zijn, onder aanroeping van de Geest.
De bevestiging in het ambt vindt plaats in het midden van de gemeente, met
gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk.
6. De andere diensten omvatten in de orde van de kerk als zodanig aan te duiden
bedieningen en functies, die in samenwerking met de ambtsdragers worden uitgeoefend
tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente.
Artikel VI
1. Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere,
noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de
gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding in de kerk
toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.
2. Deze vergaderingen zijn
voor de gemeente de kerkenraad;
voor de tot een classis behorende gemeenten de classicale vergadering;
voor de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen bovendien de evangelisch-lutherse
synode;
voor alle gemeenten tezamen en mitsdien voor de gehele kerk de generale synode.
3. De kerkenraad wordt gevormd door de bij de gemeente dienstdoende predikanten,
de ouderlingen en de diakenen.
De classicale vergadering wordt gevormd door de afgevaardigde ambtsdragers
van de kerkenraden van de tot de classis behorende gemeenten.
De samenstelling van de evangelisch-lutherse synode geschiedt volgens afzonderlijke
daarvoor gestelde regels.
De generale synode wordt gevormd door de ambtsdragers afgevaardigd door de
classicale vergaderingen en de afgevaardigden van de evangelisch-lutherse
synode.
4. De kerkenraad geeft leiding aan het leven en werken van de gemeente.
De classicale vergadering geeft leiding aan het leven en werken van de classis
en geeft daarin gestalte aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor
elkaar en voor de gehele kerk, alsmede aan de verantwoordelijkheid van de
kerk voor de gemeenten.
De evangelisch-lutherse synode geeft leiding aan het leven en werken van de
evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en draagt zorg voor het bewaren en
aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie.
De generale synode geeft leiding aan het leven en werken van de kerk in haar
geheel.
5. De kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven
van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente
daarin gekend en daarover gehoord te hebben.
6. De kerkenraad kan, onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid,
de zorg voor de opbouw van de gemeente delen met door hem in te stellen werkgroepen.
7. De classicale vergaderingen werken voor gezamenlijk te verrichten arbeid
ten dienste van de gemeenten samen in algemene classicale vergaderingen, volgens
regels bij ordinantie gesteld.
Een algemene classicale vergadering wordt gevormd door leden van de in haar
samenwerkende classicale vergaderingen.
8. De ambtelijke vergaderingen laten zich met het oog op de vervulling van
de roeping van de kerk en de gemeenten, bijstaan door organen van bijstand.
Een orgaan van bijstand wordt ingesteld door een ambtelijke vergadering en
is, onder verantwoordelijkheid van die vergadering, belast met hetgeen dit
orgaan op zijn arbeidsveld tot taak wordt gesteld.
9. Een ambtelijke vergadering kan uit haar midden een aantal leden aanwijzen
die tezamen een breed moderamen vormen waaraan de ambtelijke vergadering de
uitoefening van bepaalde bevoegdheden kan delegeren, volgens regels bij ordinantie
gesteld.
10. Voor het verrichten van werkzaamheden die voor een classis, voor de evangelisch-lutherse
gemeenten tezamen of voor de kerk in haar geheel van algemeen belang zijn,
kunnen door de betreffende ambtelijke vergaderingen predikanten in algemene
dienst worden beroepen dan wel functionarissen worden benoemd, die verbonden
worden aan respectievelijk de classis, de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen
of de kerk in haar geheel.
11. In de meerdere vergaderingen zullen alleen zaken worden behandeld die
naar de orde van de kerk tot het werk van de meerdere vergaderingen behoren,
dan wel die in de mindere vergaderingen niet kunnen worden afgedaan.
HET LEVEN VAN GEMEENTE EN KERK
De eredienst
Artikel VII
1. Geroepen door haar Heer komt de gemeente samen tot de lezing van de Heilige
Schrift en de prediking van het Evangelie, de bediening en viering van de
doop en het avondmaal, de dienst van lofzang en gebed en de dienst van barmhartigheid
en gerechtigheid.
De gemeente komt samen tot boete-, dank- en gebedsdiensten, leerdiensten,
trouwdiensten en diensten van rouwdragen en gedenken.
Daarnaast kent de kerk dagelijkse getijdendiensten met lofprijzing en gebeden.
2. De eredienst wordt geleid door hen die daartoe in de orde van de kerk zijn
aangewezen.
De inrichting van de eredienst wordt vastgesteld door de kerkenraad met inachtneming
van de bijzondere verantwoordelijkheid van de voorgangers en hen die zorgdragen
voor de kerkmuziek.
Ten behoeve van de eredienst worden, naar regels bij ordinantie gegeven, door
de generale synode aangewezen, aangeboden of vastgesteld
de bijbelvertaling,
het psalm- en gezangboek
en het dienstboek met orden van dienst.
3. De kerk viert de dag des Heren.
De kerk viert en gedenkt op bijzondere dagen
de komst, de geboorte en de verschijning van Christus,
zijn lijden, sterven en opstanding,
zijn hemelvaart en
de uitstorting van de Heilige Geest.
De kerk viert de zondag van de Drie-eenheid.
De kerk gedenkt de dag van de kerkhervorming.
De heilige doop
Artikel VIII
1. De heilige doop wordt bediend
in het midden van de gemeente
door een predikant,
met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk.
2. De doop wordt bediend aan hen
voor wie of door wie de doop begeerd wordt,
nadat het geloof door en met de gemeente beleden is.
3. De doop wordt bediend onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, met
inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt.
Het heilig avondmaal
Artikel IX
1. Het heilig avondmaal wordt door
de gemeente gevierd
en door een predikant bediend,
met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk.
2. Tot de maaltijd van de Heer zijn genodigd
zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing
en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegeleid.
3. De kerkenraad bepaalt na beraad in de gemeente
op welke wijze de leden op de deelname aan het heilig avondmaal worden voorbereid
en tevens of de leden alleen na openbare geloofsbelijdenis aan de maaltijd
kunnen deelnemen.
4. De maaltijd van de Heer wordt gevierd onder verantwoordelijkheid van de
kerkenraad, met inachtneming van de richtlijnen die de kerk daarvoor stelt.
De missionaire, diaconale en pastorale arbeid
Artikel X
1. De gemeente is vanwege haar
missionaire opdracht, in heel haar bestaan gericht op getuigenis en dienst
aan hen die het Evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn, opdat ook
zij delen in het heil in Jezus Christus.
2. De gemeente vervult haar diaconale roeping in de kerk en in de wereld door
in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid te delen wat haar aan gaven
geschonken is, te helpen waar geen helper is en te getuigen van de gerechtigheid
van God waar onrecht geschiedt.
3. De gemeente volbrengt haar pastorale taak in de herderlijke zorg aan de
leden en anderen die deze zorg behoeven, opdat zij elkaar opbouwen in geloof,
hoop en liefde.
4. De gemeente zoekt bij de vervulling van haar missionaire, diaconale en
pastorale roeping samenwerking met andere kerkelijke gemeenschappen ter plaatse.
5. Met het oog op de vervulling van haar roeping maakt de gemeente in een
relatie van wederkerigheid dankbaar gebruik van inzichten en ervaringen die
haar worden aangereikt door gemeenten waarvan de leden uit andere culturen
afkomstig zijn.
De geestelijke vorming
Artikel XI
1. De gemeente is geroepen blijvend
een lerende gemeenschap te zijn.
2. De vorming en toerusting van haar leden krijgt gestalte in onderricht en
bezinning, in meditatie en gebed, in beraad en daadwerkelijke inzet.
3. De geestelijke vorming van de jonge gemeenteleden vindt plaats
in de geloofsopvoeding thuis en in de gemeente,
en in het werk met en ten behoeve van de jeugd.
4. De gemeente heeft de opdracht mee te werken aan de geestelijke vorming
van de jongeren op school en in andere instellingen waar zij worden gevormd
en onderwezen, en zij zoekt naar mogelijkheden om het geloof tot uitdrukking
te brengen in de sociale en culturele verbanden waarin de jeugd zich oriënteert.
5. Door catechese wordt kerkelijk onderricht gegeven aan de jonge leden van
de gemeente en verder aan allen die dit onderricht verlangen.
6. Het doel van de catechese is
het leren leven uit Gods beloften en naar zijn geboden,
de toerusting tot het christelijk getuigenis in de wereld,
het ontdekken en leren aanwenden van de gaven voor de opbouw van de gemeente
van Christus,
de toeleiding tot de viering van doop en avondmaal en
de voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof.
7. De catechese betreft
het lezen en verstaan van de Heilige Schrift,
de eredienst, de liederen en gebeden,
de belijdenis en de geschiedenis van de kerk,
het leven als christen in de wereld.
8. De openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd
om de doop te ontvangen of te beamen,
als blijk van de bereidheid om van de Heer te getuigen,
medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus
en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
De openbare geloofsbelijdenis vindt plaats in het midden van de gemeente,
met gebruikmaking van een orde uit het dienstboek van de kerk.
De kerkenraad voert met hen die voornemens zijn belijdenis van het geloof
af te leggen, een gesprek over hun motivatie en over de inhoud van hun geloof.
9. De zorg voor de vorming, de toerusting en de catechese berust bij de kerkenraad.
Het opzicht
Artikel XII
1. De gemeente is geroepen te blijven
in de weg van het belijden van de kerk.
Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, geschiedt tot
eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen.
2. In de gemeente zijn de leden geroepen pastoraal en liefdevol naar elkaar
om te zien en elkaar op te bouwen in geloof, hoop en liefde.
3. Het opzicht dat wordt uitgeoefend door of in opdracht van de ambtelijke
vergaderingen, betreft
het geestelijk leven van de gemeenten, het gehoor geven aan haar roeping en
de vervulling van ambten en andere diensten;
de belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van hen, die een andere
dienst vervullen; en
de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van predikanten.
4. Het opzicht over de gemeenten geschiedt in de visitatie en betreft haar
geestelijk leven, het gehoor geven aan haar roeping en de vervulling van ambten
en andere diensten en heeft ten doel de opbouw van de gemeente.
5. Het opzicht over belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van
hen die een andere dienst vervullen, wordt uitgeoefend door pastorale samenspreking
en vermaan.
6. Met het oog op de rechte bediening van Woord en sacramenten houdt de kerk
opzicht over de verkondiging en de catechese, alsmede over de opleiding en
vorming van predikanten.
7. Indien nodig gaat de kerk over tot toepassing van de middelen die met kerkelijke
tucht gegeven zijn, volgens de regels bij ordinantie gesteld.
De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden
Artikel XIII
1. De zorg voor de vermogensrechtelijke
aangelegenheden van de gemeente berust bij de kerkenraad, die de verzorging
van deze zaken toevertrouwt aan
het college van diakenen, voor zover het betreft de vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de diaconale aard en
de daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen die - desgewenst aangevuld
met andere leden van de gemeente - tezamen het college van kerkrentmeesters
vormen, voor zover het betreft de andere vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de gemeente.
2. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de classis berust
bij de classicale vergadering.
3. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse
synode, waaronder de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de evangelisch-lutherse
gemeenten gemeenschappelijk, berust bij de evangelisch-lutherse synode.
4. De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk berust
bij de generale synode.
5. Op de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden wordt toegezien
door de daartoe aangewezen organen van de kerk.
Bezwaren en geschillen
Artikel XIV
1. Bezwaren en geschillen voor
de behandeling waarvan in de orde van de kerk niet een afzonderlijk orgaan
of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven, worden voorgelegd aan
de daartoe aangewezen colleges.
2. Onverminderd het in lid 1 bepaalde kan bij een kerkelijk lichaam een verzoek
tot herziening van een door dit lichaam genomen besluit worden ingediend.
De opleiding en vorming van predikanten
Artikel XV
1. De zorg voor de opleiding en
vorming van predikanten berust bij de generale synode.
2. De opleiding en vorming van predikanten vindt plaats bij of aan universiteiten
en seminaria die door de kerk zijn gesticht of aangewezen.
3. De generale synode kan, in geval van een opleiding elders of bij singuliere
gaven, een andere weg tot het ambt van predikant openen.
4. Wie toelating tot het ambt van predikant verlangen dienen mee te werken
aan onderzoek naar geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt.
5. Indien er geen bezwaren bestaan, verkrijgen zij na het afleggen van de
daartoe bestemde belofte het recht om als proponent te staan naar het ambt
van predikant.
Leven en werk van de kerk in oecumenisch perspectief
Artikel XVI
1. Als gestalte van de ene heilige
apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk, is de kerk geroepen
om de eenheid, de gemeenschap en de samenwerking met andere kerken van Jezus
Christus te zoeken en te bevorderen.
De kerk neemt deel aan en stimuleert de oecumenische arbeid in Nederland en
in de wereld.
Zij zoekt en onderhoudt nauwere betrekkingen met kerken waarmee zij door bijzondere
banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is.
Zij zoekt vereniging met de kerken waarmee eenheid of verwantschap bestaat
in geloof en kerkorde.
2. In de missionaire arbeid, in Nederland en in de wereld, vervult de kerk
haar zendingsopdracht, samen met kerken en gemeenten ter plaatse, in ondersteuning
van elkaar.
3. In de diaconale arbeid, in Nederland en in de wereld, vervult de kerk haar
opdracht om zich in te zetten voor wie lijden en hen bij te staan in het zoeken
naar vertroosting en gerechtigheid, in samenwerking met kerken en gemeenten
ter plaatse en met verwante instanties.
4. De kerk verricht haar arbeid van getuigenis en dienst in respectvolle omgang
met andere godsdiensten.
DE ORDE VAN DE KERK
De ordinanties
Artikel XVII
1. De orde van de kerk wordt nader
geregeld bij of krachtens ordinantie.
2. Een ordinantie wordt vastgesteld of gewijzigd door de generale synode.
3. Een voorstel tot vaststelling van of wijziging in een ordinantie kan worden
ingediend, hetzij door een classicale vergadering, door de evangelisch-lutherse
synode of door een orgaan van bijstand van de generale synode, hetzij in de
generale synode zelf.
Tot het indienen van een dergelijk voorstel kan door de classicale vergadering,
de evangelisch-lutherse synode of het orgaan van bijstand van de generale
synode echter niet worden besloten in dezelfde bijeenkomst als die waarin
het voorstel werd gedaan.
4. Nadat de generale synode een ordinantie of een wijziging in een ordinantie
in eerste lezing heeft vastgesteld, legt zij deze voor aan de kerkenraden
ter consideratie door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse
synode.
5. Daarna kan de generale synode de desbetreffende ordinantie of wijziging
in een ordinantie definitief vaststellen.
Wijziging in de kerkorde
Artikel XVIII
1. Wijzigingen in de kerkorde worden
aangebracht door de generale synode.
2. Een voorstel tot een wijziging in de kerkorde kan worden ingediend, hetzij
door een classicale vergadering of door de evangelisch-lutherse synode, hetzij
in de generale synode zelf.
Tot het indienen van een dergelijk voorstel kan door de classicale vergadering
of de evangelisch-lutherse synode echter niet worden besloten in dezelfde
bijeenkomst als die waarin het voorstel werd gedaan.
3. Een wijziging in de kerkorde betreffende de evangelisch-lutherse gemeenten
en de evangelisch-lutherse synode kan eerst in eerste lezing worden vastgesteld
na instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode.
4. Nadat de generale synode een wijziging in de kerkorde in eerste lezing
heeft vastgesteld, legt zij deze voor aan de kerkenraden ter consideratie
door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse synode.
5. Daarna kan de generale synode de wijziging in de kerkorde definitief vaststellen,
waartoe een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen
vereist is.
De orde van de kerk in tijden van nood
Artikel XIX
1. Indien en voor zover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen van de kerk of hun leden de door de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde van de kerk afwijkende maatregelen.